De Daad

Vanmorgen heel vroeg zat Jochem op de rand van zijn bed klaar om met het busje van het hotel naar het vliegveld te worden gebracht.

Voordat hij de koffers naar beneden zou gaan slepen had hij vijf minuten geaarzeld en het toch maar gedaan: op het nachtkastje liet hij een briefje achter voor het meisje, dat elke ochtend de kamer schoonmaakte.

In het begin van de week was ze Jochem niet zo opgevallen, ze was gewoon een van de vrouwen uit het dorpje, die ’s avonds bij tientallen door de hoofdstraat flaneerden of op de markt achter de viskraampjes stonden.

De schoonmaakster.

Tot Jochem dinsdag dacht: nee, ze is het kamermeisje.

Kamermeisje… waarom was dat voor Jochem nou zo’n veelbelovend, huivergevend woord?

Ze had lang zwart haar, dat door een gebloemde band bijeen werd gehouden, donkere ogen, die hem nooit aankeken, en verder… ja, daar kreeg Jochem geen hoogte van – ze droeg een grote lichtblauwe schortjas over ‘alles’ heen.

Maar naarmate de week verstreek, vond hij haar mooier en aantrekkelijker worden. In zijn fantasie was zij een steeds grotere rol gaan spelen. En in hotels, had hij al eerder ondervonden, gedijt de fantasie welig. Zeker als je na jaren weer ’s alleen met vakantie bent.

Elke morgen lag Jochem al rond negen uur aan de rand van het zwembad, maar vanaf het midden van de week keerde hij, vaste prik, rond elven terug naar de kamer. Om een boek te halen, of een flesje zonnebrandolie. Op dat moment was zij de kamer aan het stofzuigen, of, en dat was heel opwindend, verschoonde zij zijn bed. Hij wilde dolgraag zien hoe zij zijn slaap-T-shirt opvouwde en op zijn kussen klaarlegde.

In het begin van hun huwelijk, jaren zeventig, toen Mariëtte en hij het leuk vonden pornovideo’s te huren, raakten ze nog opgewonden van kamermeisjes in Oostenrijkse berghotels, die in zo’n situatie meteen de kleren uittrokken, de hotelgast zijn zwembroek afstroopten, waarna het grote bumsen kon beginnen.

In Jochems ‘voor het eerst na de scheiding lekker in zijn eentje’-week gebeurde niets van dien aard. Als hij de kamer betrad, in zijn uitdagende zwemtanga (maar met een preutse handdoek om de schouders geslagen), ging het kamermeisje onverstoorbaar door met haar werk, zonder hem een blik waardig te keuren.

Toch dacht hij vanaf vrijdag dat er iets was gegroeid. Iets wederzijds. Er was geen tastbaar bewijs, zij had geen enkel signaal gegeven, maar het was meer, ja hoe formuleerde je dat, een bepaald spanningsveld. Het droge hout wachtte op een vonk om tot een laaiend vuur te ontbranden. Maar zoiets dacht Jochem middenin de nacht, als hij van de broeierige hitte niet kon slapen.

Afgelopen nacht steeg de kamermeisjeskoorts tot grote hoogte. Als hij nu eens, terwijl ze aan het stofzuigen was, van achteren tegen haar aan zou gaan staan, zou zij zich dan omdraaien en haar armen om hem heen slaan, of zou ze hem met de stofzuigerslang een lel voor zijn kop verkopen?

Hij besloot toch een daad te stellen, een teken te geven. Morgen zat hij weer op de zaak en het zou hem spijten als hij aan de hele week geen enkele pikante vakantieherinnering had overgehouden. En misschien had hij toch gelijk, ging die groeiende spanning niet alleen van hem uit.

Op het nachtkastje lag, naast een biljet van 1000 sunar, zijn briefje:

Hello,

Thank you for cleaning my room.

You did a very fine job.

And I also want to say you this: you are a very attractive and nice girl.

If you want to contact me, please phone me at:

+3167788456793

Stel je nou eens voor dat op een ijskoude, decemberse dag middenin een bespreking zijn mobiel ging en een warme stem zou zeggen: ‘Hello, I’m the chambermaid, do you remember me? I liked you so much, but I was afraid to tell you.’

Nadat hij aan de hotelbalie de toch fors uitgevallen rekening van de consumpties uit het ijskastje had gecreditkaart, bedacht hij ineens dat zijn snorkel nog in de klerenkast lag, in de vergeten onderste la.

De bus stond al met draaiende motor en opengeklapte kofferruimte voor de hotelingang. Haastig stapte hij in de lift, die hem weer naar zijn veertiende etage bracht.

Toen hij zijn kamer binnenging, was het zijn kamer niet meer. Nieuwe gasten moesten kennelijk met spoed worden ondergebracht. Een reus van een schoonmaker, in gele overall, was bezig de matras van het bed met een grote, gierende vacuümzuiger van al Jochems sporen te ontdoen.

In een flits zag Jochem dat het bankbiljet en het briefje van het nachtkastje verdwenen waren.

De schoonmaker, die grote oorbeschermers droeg, keek niet op of om.

(Uit: Meneer Foppe en de hele reutemeteut, Uitg. De Harmonie)