De Bevrijding

Bij vechtscènes zapt meneer Foppe meteen door. Behalve als het een documentaire betreft over de Tweede Wereldoorlog. Als het ‘echt’ is. Oorlogsspeelfilms schakelt hij ook binnen enkele seconden weg, maar voor echte zwart-wit beelden uit De Oorlog, gaat meneer Foppe recht zitten. Hij voelt zich verplicht te kijken. Hij was er immers zelf bij? Nou ja, min of meer – bij de Bevrijding was hij vijf, bijna zes jaar. Hij bewaart echte herinneringsbeelden uit de oorlog in zijn hoofd.

Als hem zou worden gevraagd naar zijn ‘tv-moment van het jaar’, zou hij zonder twijfel kiezen voor De Twee Minuten Stilte op vier mei. Op die plechtige dag zit hij al vanaf ’s avonds halfzeven klaar in de grote tv-stoel. Hij heeft er zelfs zijn goede kostuum (‘zondagse pak’) voor aangetrokken.
En als de trompet klinkt en het moment is aangebroken, probeert hij zo’n diepe stilte in acht te nemen, dat hij zichzelf zelfs niet toestaat te slikken, mocht de ontroering hem even te machtig worden.

Waar denkt meneer Foppe aan tijdens de twee nationale minuten? Niet aan oorlogsslachtoffers. Al zijn familieleden hebben De Oorlog overleefd. Ja, even herdenkt hij: ‘Wat is oorlog toch erg. Al die mensen die zijn omgekomen…’ Maar daarna denkt hij aan zijn ouders, die hem zonder dat hij er veel van merkte door de oorlog hebben gevoerd. Ook toen het moeilijk werd en ze bijna niets meer te eten hadden.
En hij laat zijn handjevol herinneringsbeelden nog eens de revue passeren. Of die nu wel of niet echt zijn… Vader en moeder hebben zoveel over de oorlog verteld, misschien zijn het wel hun verhalen die hij laat doorgaan voor eigen herinneringen. Hij moet er maar niet mee te koop lopen, vindt hij. En daarom is het goed dat meneer Foppe zelden met mensen spreekt. Hoeft hij het ook niet over De Oorlog te hebben. Ze zouden hem toch maar verwaand vinden – ‘die Foppe doet of-ie belangrijk in de oorlog is geweest’.

Van één herinneringsbeeld weet meneer Foppe zeker dat het van hem is, want zijn ouders waren er toen niet bij.
De scène speelt zich af op de kleuterschool. Hij zit op een eerste verdieping voor het raam met blokken te spelen en hij en de andere kinderen kijken uit op het plantsoen aan de overkant waar een groot kanon staat opgesteld. Duitse soldaten zijn bezig bebladerde boomtakken over het kanon te hangen.

De juf van de kleine meneer Foppe – zijn liefste juf – komt dicht bij het raam staan om te kijken wat er gaande is. En dan zien de soldaten juf. Ze vinden juf duidelijk heel leuk. Ze zwaaien en ze lachen en ze roepen onverstaanbare dingen. Nu gebeurt er iets engs. De soldaten draaien het kanon in de richting van het raam van de kleuterschool. En de lange loop van het kanon, die eerst verticaal omhoog wees, zakt naar beneden tot hij precies op de juf en de kinderen is gericht.
Juf schrikt hevig – daarom weet meneer Foppe het nog zo goed. Ze zegt heel hard tegen de kinderen: ‘Vlug, opstaan, en gauw naar de gang!’ De soldaten blijven maar zwaaien en roepen. Verder gebeurde er niets ergs, niet dat meneer Foppe weet.

Op de vijfde mei, Bevrijdingsdag, zet meneer Foppe geen stap buiten de deur. Hij moet er niet aan denken in een vrolijke optocht of op een overvolle bevrijdingsmarkt terecht te komen. Op de vijfde mei speelt de herinnering aan zijn eerste, de enige echte Bevrijdingsdag, 5 mei 1945, hem nog altijd pijnlijke parten.

Dit is het beeld:
De kleine meneer Foppe staat in het halletje achter de voordeur. Vader probeert een touw over zijn hoofd te trekken, waaraan een trommel hangt. Geen echte, maar een leeg blik waarin reddend voedsel heeft gezeten dat door de Amerikaanse en Engelse vliegtuigen naar beneden is gegooid. Moeder duwt hem een paar lepels in de hand, die voor trommelstokken moeten doorgaan. In de straat is het geroffel en gebonk van de drumband in de bevrijdingsoptocht al te horen – ze komen eraan, wel dertig jongens uit de buurt, allemaal voorzien van lege voedselblikken.

En de kleine meneer Foppe huilt en schreeuwt moord en brand. Hij wil niet naar buiten, niet tussen de andere jongens met hun gekke trommels. Met twee lepels op een blik slaan, de mensen zullen hem hard uitlachen. Moeder en vader zijn onverbiddelijk. Ze tillen hem op, dragen hem de voordeur uit en als de drumband voorbijkomt, zet vader hem in de achterste rij.

En zo viert meneer Foppe zijn eerste Bevrijdingsdag. Voorovergebogen met een betraand wit hoofdje, sjokt hij achter de muziek aan. Hij houdt de lepels stijf tegen zijn benen aangedrukt. Hij durft niet één keer te slaan.

Misschien is het op die eerste Bevrijdingsdag begonnen, denkt meneer Foppe wel eens als hij bijvoorbeeld in de rij staat voor een kassa van de supermarkt en zich heel erg zenuwachtig maakt omdat hij zometeen zijn boodschappen voor de ogen van alle klanten moet uitstallen.

(Uit: Meneer Foppe en de hele reutemeteut – Uitgeverij De Harmonie)

Grote Nederlanders die ik heb gekend, deel 1

Zeven uur in de ochtend van een heerlijke lentedag in de jaren vijftig en er heerst op dit vroege spitsuur al een grote bedrijvigheid op de Haagse Laan van Meerdervoort. Aan beide zijden fietsen rijen ambtenaren naar kantoor, met de aktetas onder de snelbinders, met daarin het regenpak voor je-weet-maar-nooit, en het trommeltje gevuld met boterhammen voor tussen de middag – de woorden snack en lunch kende men toentertijd nog niet – de fietsvlaggetjes wapperen vrolijk in de harde tegenwind en de fietsbellen, waarmee vrolijk wordt gerinkeld, nodigen de voetgangers uit tot achterop springen.

In een van de zijlanen is het extra druk. Niet ver van de hoek met de Laan van Meerdervoort heeft zich een kleine menigte verzameld voor huis nummer 502 aan de statige Beeklaan. In het midden van die allee staat een kring opgesteld van circa honderd fietsers en voetgangers, die in stilte, in een wachtende houding, gespannen turen naar pand nummer 502.

Stipt om half acht zwaait de immense voordeur open en treedt de hoofdbewoner naar buiten. De kleine menigte voor zijn huis haalt collectief opgelucht adem en spatgelijk klinkt de uitroep: ‘Goedemorgen, Willem Drees!’

Willem Drees verlaat zijn woning

Willem Drees verlaat zijn woning

Hoe vaak heb ik in die menigte gestaan, om getuige te zijn van de ochtendbegroeting van de grote socialistische voorman Willem Drees.
Eerst gezamenlijk met mijn ouders, later ook alleen, als vijftien/zestienjarige jongeman, heb ik vele tientallen malen de wandeling van Willem Drees, van zijn eenvoudige woonhuis naar het Binnenhof, mee mogen maken. Iedere werkdag werd de minister-president tijdens die voettocht, omstuwd door tientallen bewonderaars. Onderweg werd hem door alle voorbijgangers goedemorgen gewenst en uit de opengeschoven bovenramen werd hij met zak- en theedoeken toegewuifd.
Willem Drees vormde met zijn twee meter en tweeënveertig centimeter een indrukwekkende gestalte. Wel drie tot vier koppen uittorenend boven zijn bewonderaars, werd volkomen duidelijk waarom hij De Reus van het Binnenhof werd genoemd, de ‘grootste minister-president die Nederland ooit heeft gekend’.

De grote Drees was, zoals alle ochtenden, eenvoudig gekleed in een langvallende grijze overjas, met een zwarte herenhoed op het eerbiedwaardige hoofd. Met zijn glimmend gepoetste eenvoudige zwarte herenschoenen nam hij rustige, bedaarde stappen; toch moesten zijn bezwete volgelingen moeite doen hem bij te benen. Zijn buitenmodel immense aktetas werd door drie potige jongemannen op twee passen achter de grote man meegevoerd. Die tas bevatte – zoals insiders wisten te melden – een trommel met vijfentwintig boterhammen met kaas en een reusachtig rubberen regenpak voor je-weet-maar-nooit.

Tegen de tijd dat dr. Drees in zijn kalme, zekere tred de Javastraat inliep, was het aantal meelopers gegroeid tot boven de duizend. Op de hoek van de Zeestraat deed een verkeersagent met zijn stopbord hopeloze pogingen het fietsverkeer in goede banen te leiden. Het ontaardde elke dag in een verkeerschaos, maar niemand klaagde. Schelden en vloeken in het openbaar, deed men toentertijd nog niet.

Nu stak dr. Drees het ruime Plein 1813 over. Op de trappen van het monument ter ere van de Nederlandse overwinning op Napoleon, had zich, zoals iedere ochtend, een delegatie ouden van dagen opgesteld, die de passerende dr. Drees zo luid als hun broze stemmen het toelieten van harte toejuichten. Zo betoonden de bejaarden hun dankbaarheid jegens de oudedagsvoorzieningen die hún Vadertje Drees voor hen had getroffen. Ingehouden en met klein gebaar lichtte dr. Drees even de hoed van het hoofd.

Vadertje Drees – als je de reusachtige gestalte over het Lange Voorhout en de Kneuterdijk zag voortstappen, begreep je op slag iets meer van onze heerlijke Hollandse humor.

Nu brak het precaire moment aan: dr. Drees moest het poortje onderdoor dat toegang gaf tot het Binnenhof. Het betekende dat de grote, fiere staatsman diep moest bukken en met vooruitgestoken rechterschouder, in een potsierlijke houding, scheef zijwaarts, die hindernis diende te nemen.

Iedereen wendde discreet het hoofd af. Niemand wilde getuige zijn van het ontluisterende beeld van de buigende grote staatsman, die zich door een poortje wringt.
Het pleit voor de loyaliteit van de Nederlandse pers van die dagen dat er nimmer een foto in de kranten is verschenen van dit pijnlijke, vernederende momentum. Discretie en terughoudendheid stonden bij de Nederlandse media nog hoog in het vaandel.

En zo bereikte Willem Drees zijn werkplek. Met een opgestoken hand groette hij de menigte en verdween in het gebouw van de Tweede Kamer, waar hij zich ook deze dag weer zou wijden aan het bedenken van wetten ter bescherming van de minderbedeelden, de hulpbehoevenden, de allerarmsten en onderliggende klassen in onze samenleving.

Jaar in jaar uit voltrok zich dit ochtendritueel langs dezelfde lijnen. Er is echter een vroege periode geweest – toen ik nog te klein was om de feiten te kunnen duiden – waarin de vaste regelmaat onderbroken werd.
Er is een dag geweest waarop de deur van woonhuis Beeklaan 502 om half acht ’s ochtends gesloten bleef. Het zorgde voor grote verwarring in de achterban. Al snel bereikte ons het doorgefluisterde gerucht dat Dr. Willem Drees een geheime reis had ondernomen naar het verre Nederlands-Indië, teneinde in hoogst eigen persoon een einde te maken aan de ongeregeldheden, veroorzaakt door opstandige inlanders.
En weer was de pers zo netjes en loyaal ons onwelgevallig nieuws te onthouden en zijn de beelden ons bespaard gebleven van een dr. Willem Drees die –  hebben ooggetuigen verklaard – niet te voet door de Indische dreven schreed, maar werd gedwongen in een van bamboestengels gevlochten draagstoel plaats te nemen. De stoel zou door tien inlanders over heel Java gedragen worden, maar is al na drie minuten gekapseisd, waardoor dr. Drees in het water van een rijstveld terecht is gekomen. Waarschijnlijk gold het hier een subversieve daad – het begrip terroristische aanslag kende men toentertijd nog niet.
De reactie van de Nederlandse overheid was ferm maar rechtvaardig. Tweemaal kwam een Nederlandse legermacht in onze Gordel van Smaragd in actie, waarbij helaas aan beide zijden tienduizenden strijders zijn gevallen. In het vaderland werden die militaire expedities ‘politionele acties’ genoemd – weer zo’n voorbeeld van heerlijke Hollandse Humor.

Zoals gezegd heb ik de ochtendwandeling van Willem Drees vele malen meegemaakt. Ook des avonds heb ik mij nog wel ’s per fiets naar het huisadres op de Beeklaan begeven. Ik voegde me dan bij de tientallen die zich in het donker voor nummer 502 hadden opgesteld, om een glimp op te vangen van hun geliefde Vadertje.

Hij maakte het ons gemakkelijk. Dr. Drees zat in een grote stoel voor het venster, waarvan de gordijnen volgens oud-Nederlandse traditie altijd open bleven en wij genoten van het geliefde profiel, het hoge voorhoofd, de rechte neus, de snor, onder het licht van de drie meter hoge schemerlamp.
Na dit rustgevende tafereel in me op te hebben genomen, peddelde ik dan weer snel huiswaarts om naar de radio te luisteren. De VARA zond elke avond oude toespraken van Willem Drees uit en het was een genot om met het sonore, brommende geluid van zijn gevoelige stem in slaap te mogen vallen.

In latere jaren fietste ik een enkele keer voorbij Beeklaan 502 in de vaste rustgevende overtuiging dat hij er zou zitten.
De zekerheid van zijn aanwezigheid werd ons in 1988 ontnomen, toen de grootste minister-president aller tijden op 101-jarige leeftijd van ons werd weggenomen. De laatste leider die tevens leidsman was.

Eindelijk! Het Boerkaverbod is er door!

Eindelijk is er nu een algeheel boerkaverbod! Dat zal tijd worden.
In 2008 en 2009, probeerde het kabinet Balkenende IV (CDA, PvdA, ChristenUnie) al een einde te maken aan de vreemde verkleedpraktijken – op scholen werd de boerka succesvol geweerd, maar in het openbaar vervoer bleven de wantoestanden bestaan.

Ik citeer mijn discussiebijdrage uit 2009:

‘DEN HAAG – De Nederlandse regering wil dat er in treinen, bussen en trams geen boerka’s meer worden gedragen. Vervoersbedrijven zouden de gezichtsbedekkende kleding via hun algemene voorwaarden moeten weren.
De ministerraad zal dit voorstel binnenkort bespreken, zo hebben ingewijden donderdag gezegd. Het is een aanvulling op het boerkaverbod op scholen, een wetsvoorstel dat door de minister van Onderwijs is ingediend. (ANP-bericht)

Na het voorstel tot een verbod op boerka’s voor scholen en voor ambtenaren laat de regering het verbieden van gezichtsbedekkende kleding in het openbaar vervoer dus over aan de vervoersbedrijven. Jammer! Hoe kunnen de conducteurs die bedrijfsregels handhaven, nu de boerka zo massaal wordt gedragen?

Vanmorgen reed ik per trein van mijn woonplaats Groningen, via Utrecht naar Rozendaal en ik was gedurende de gehele reis de enige passagier zonder boerka! Op de perrons, in de tweede- en eersteklas coupés, op de balkons, overal zaten en stonden in boerka’s gehulde… ja, figuren, noem ik het maar, want of ik te maken had met vrouwen of mannen kon ik niet controleren. Hoe zou een conducteur die taak moeten uitoefenen?

Op een gegeven moment werd de overmacht aan boerka’s me te gortig – al die loerende ogen uit die zwarte lappen… ik dreigde ouderwets te flippen en het is decennia geleden dat ik was geflipt. Het is toch schandalig, was ik nog in staat te denken, in een beschaafd land in de 21e eeuw zou flippen toch niet meer mogelijk moeten zijn?

‘Help! Is er een conducteur aanwezig?’, riep ik zo hard mogelijk.

‘Ja, hier!’, klonk het uit een van de zwarte gestalten. Een doek werd neergeslagen en het met een pet getooide hoofd van de conducteur werd zichtbaar.
‘Dit is voor mij de enige mogelijkheid mezelf te handhaven,’ zei de gezagsdrager, zich bij voorbaat verontschuldigend, ‘ik rij undercover op mijn eigen trein. Zonder boerka zien ze mij van een kilometer afstand aankomen en zo krijgen de kwaadwillende boerkadragers de gelegenheid zich te verstoppen in de bagagerekken. Ze wanen zich daar veilig – het lijkt of een passagier een zwarte jas heeft opgeborgen, maar heel vaak zit er nog iemand in.’

De veiligheid zou er dus mee gediend zijn als de overheid een stap verder gaat en de boerka zowel buitens- als binnenshuis voor eeuwig verbiedt.’ -Einde citaat –

Het kabinet Balkenende faalde dus jammerlijk in de uitvoering van een halfzacht boerkaverbod, het is zeer te prijzen dat het kabinet Rutte-Verhagen/Wilders oog heeft voor de grote problemen van deze tijd en aan het huidige wangedrag een einde heeft gemaakt. Hulde voor minister Spies.

Kleine gluurder

Notities in het zwembad

Als ik, gekleed in mijn zwarte slobberige alles verhullende zwembroek, het kleedhokje heb verlaten, moet ik de zware klerenhanger waaraan mijn kleren, schoenen en rugzak bungelen, in het midden van de kleedruimte aan lange stangen hangen.
Moeilijk moment.
Ik wacht in mijn hokje tot het betegelde zaaltje leeg is, kom snel tevoorschijn, hang mijn kleren tussen de kledingbundels van de andere badgasten aan de stang en spurt naar de douches. Mij zullen ze niet bloot tegenkomen.

Net toen ik vanmorgen mijn hokje uit wilde stappen, betrad een stevige, kletsnatte man de kleedruimte, vanuit de gang naar het zwembad.
Om zijn bollende buik spande een grote, verticaal gestreepte zwembroek.
Hij stapte op zijn hanger af, trok een grote blauwe handdoek uit zijn zwemtas en begon zich naast de kledingrekken, in de gemeenschappelijke ruimte dus, met brede gebaren grondig af te drogen. Eerst zijn natte haren en gezicht, waarbij hij briesende geluiden uitstootte. Plasjes vormden zich rond zijn voeten.
‘Hè, man, doe dat in je hokje, wil je?’, dacht ik en ik dook weg achter het driekwartdeurtje en wachtte tot de man op zou krassen.
Toen ik na twee minuten voorzichtig mijn hoofd boven het deurtje uitstak, was de man zich nog steeds aan het afdrogen. Twee minuten afdrogen is lang. In die tijd droogt een normaalgebouwde zwemmer zich van achter zijn oren tot tussen zijn tenen kurkdroog af.
Ik ging zitten op de bank in mijn hokje en wachtte.
Na vier minuten was de man nog aan het drogen. Zijn rug kreeg zo’n woeste beurt dat de huid vuurrood uitsloeg. Nog even doorrossen en de eerste brandblaren werden zichtbaar.
Ik bleef hem nu observeren met mijn ogen net boven het deurtje, klaar om weg te duiken als hij mijn kant zou uitkijken.
Het drogen duurde en duurde.
Hij was aan zijn benen begonnen, waarbij hij zich diep voorover boog en boende en boende, totdat hij zijn tenen had bereikt, die stuk voor stuk werden gedroogd zoals een topkok, vlak voor opdienen, de asperges nog even afdept.
En ineens begreep ik zijn droogactie. Want ik zag dat de man in gebukte houding tijdens het drogen van zijn tenen, zijn hoofd naar uiterst links verdraaide, in de richting van de vrouwenkleedhokjes aan de overkant van de kleedruimte.
Wat was daar te zien? Niets, dacht ik.
Maar toen de man, nu met zijn hoofd bijna tot op de grond, bleef doordrogen, en ik met hem meekeek, begreep ik dat hij onder de open onderkant van de deurtjes de naakte voeten van de zich verkledende vrouwen bekeek.
En toen de droger zijn handdoek van spanning stilhield, zag ook ik hoe in een van de hokjes twee blote vrouwenvoeten uit een slipje stapten, dat in een lichtblauwe flits even zichtbaar werd.
Het hoogtepunt was hiermee kennelijk bereikt, want de man pakte nu resoluut zijn hanger met kleren van het rek en begaf zich naar een hokje om zich aan te kleden.

Ik had een kleine gluurder begluurd.

De Daad

Vanmorgen heel vroeg zat Jochem op de rand van zijn bed klaar om met het busje van het hotel naar het vliegveld te worden gebracht.

Voordat hij de koffers naar beneden zou gaan slepen had hij vijf minuten geaarzeld en het toch maar gedaan: op het nachtkastje liet hij een briefje achter voor het meisje, dat elke ochtend de kamer schoonmaakte.

In het begin van de week was ze Jochem niet zo opgevallen, ze was gewoon een van de vrouwen uit het dorpje, die ’s avonds bij tientallen door de hoofdstraat flaneerden of op de markt achter de viskraampjes stonden.

De schoonmaakster.

Tot Jochem dinsdag dacht: nee, ze is het kamermeisje.

Kamermeisje… waarom was dat voor Jochem nou zo’n veelbelovend, huivergevend woord?

Ze had lang zwart haar, dat door een gebloemde band bijeen werd gehouden, donkere ogen, die hem nooit aankeken, en verder… ja, daar kreeg Jochem geen hoogte van – ze droeg een grote lichtblauwe schortjas over ‘alles’ heen.

Maar naarmate de week verstreek, vond hij haar mooier en aantrekkelijker worden. In zijn fantasie was zij een steeds grotere rol gaan spelen. En in hotels, had hij al eerder ondervonden, gedijt de fantasie welig. Zeker als je na jaren weer ’s alleen met vakantie bent.

Elke morgen lag Jochem al rond negen uur aan de rand van het zwembad, maar vanaf het midden van de week keerde hij, vaste prik, rond elven terug naar de kamer. Om een boek te halen, of een flesje zonnebrandolie. Op dat moment was zij de kamer aan het stofzuigen, of, en dat was heel opwindend, verschoonde zij zijn bed. Hij wilde dolgraag zien hoe zij zijn slaap-T-shirt opvouwde en op zijn kussen klaarlegde.

In het begin van hun huwelijk, jaren zeventig, toen Mariëtte en hij het leuk vonden pornovideo’s te huren, raakten ze nog opgewonden van kamermeisjes in Oostenrijkse berghotels, die in zo’n situatie meteen de kleren uittrokken, de hotelgast zijn zwembroek afstroopten, waarna het grote bumsen kon beginnen.

In Jochems ‘voor het eerst na de scheiding lekker in zijn eentje’-week gebeurde niets van dien aard. Als hij de kamer betrad, in zijn uitdagende zwemtanga (maar met een preutse handdoek om de schouders geslagen), ging het kamermeisje onverstoorbaar door met haar werk, zonder hem een blik waardig te keuren.

Toch dacht hij vanaf vrijdag dat er iets was gegroeid. Iets wederzijds. Er was geen tastbaar bewijs, zij had geen enkel signaal gegeven, maar het was meer, ja hoe formuleerde je dat, een bepaald spanningsveld. Het droge hout wachtte op een vonk om tot een laaiend vuur te ontbranden. Maar zoiets dacht Jochem middenin de nacht, als hij van de broeierige hitte niet kon slapen.

Afgelopen nacht steeg de kamermeisjeskoorts tot grote hoogte. Als hij nu eens, terwijl ze aan het stofzuigen was, van achteren tegen haar aan zou gaan staan, zou zij zich dan omdraaien en haar armen om hem heen slaan, of zou ze hem met de stofzuigerslang een lel voor zijn kop verkopen?

Hij besloot toch een daad te stellen, een teken te geven. Morgen zat hij weer op de zaak en het zou hem spijten als hij aan de hele week geen enkele pikante vakantieherinnering had overgehouden. En misschien had hij toch gelijk, ging die groeiende spanning niet alleen van hem uit.

Op het nachtkastje lag, naast een biljet van 1000 sunar, zijn briefje:

Hello,

Thank you for cleaning my room.

You did a very fine job.

And I also want to say you this: you are a very attractive and nice girl.

If you want to contact me, please phone me at:

+3167788456793

Stel je nou eens voor dat op een ijskoude, decemberse dag middenin een bespreking zijn mobiel ging en een warme stem zou zeggen: ‘Hello, I’m the chambermaid, do you remember me? I liked you so much, but I was afraid to tell you.’

Nadat hij aan de hotelbalie de toch fors uitgevallen rekening van de consumpties uit het ijskastje had gecreditkaart, bedacht hij ineens dat zijn snorkel nog in de klerenkast lag, in de vergeten onderste la.

De bus stond al met draaiende motor en opengeklapte kofferruimte voor de hotelingang. Haastig stapte hij in de lift, die hem weer naar zijn veertiende etage bracht.

Toen hij zijn kamer binnenging, was het zijn kamer niet meer. Nieuwe gasten moesten kennelijk met spoed worden ondergebracht. Een reus van een schoonmaker, in gele overall, was bezig de matras van het bed met een grote, gierende vacuümzuiger van al Jochems sporen te ontdoen.

In een flits zag Jochem dat het bankbiljet en het briefje van het nachtkastje verdwenen waren.

De schoonmaker, die grote oorbeschermers droeg, keek niet op of om.

(Uit: Meneer Foppe en de hele reutemeteut, Uitg. De Harmonie)

Gemalen visjes

Stekelbaarsjes zijn 5 tot 7 centimeter groot en de broedtijd is van april tot juni, heb ik net even opgezocht.

Het zal eind april, begin mei 1945 zijn geweest, vlak voor de Bevrijding. De hongersnood was nog groot. Het voedsel dat de geallieerden hadden afgeworpen was nog niet onder de bevolking uitgedeeld.

Ik kwam thuis met een jampot vol stekelbaarsjes, die ik had gevangen in de sloot aan het eind van de straat. Mijn hengel was primitief: een meter naaigaren aan een stok gebonden, waaraan een kromme speld was bevestigd. Als aas gebruikte ik een paar wormen uit de tuin.

Ik zie het verheugde gezicht van mijn vader: ‘Goed zo, jongen! Geweldig!’

Hij staat in de keuken. Hij schept de visjes uit de pot en doet ze in de koffiemolen die aan de wand hangt. Met een paar draaien aan de slinger druipt er een vieze prut uit de molen in het koffiebakje.

Hoe de visjes smaakten weet ik niet meer. Volgens mij hebben we ze zoals ze uit de koffiemolen kwamen, meteen opgegeten, met graatjes en stekels en al.

Dat blije gezicht van mijn vader vervult me nog altijd met trots.